Uitgangsvraag + aanbevelingen
Wat is de aangewezen diagnostische benadering van urineweginfecties bij patiënten met een verblijfskatheter?
De uitgangsvraag is verdeeld in de volgende subvragen:
Welke klinische verschijnselen (klachten en symptomen) wijzen op een urineweginfectie bij patiënten met een blaaskatheter?
Wat is de plaats van aanvullend onderzoek:
○ Wat is de waarde van urinetesten naar: nitriet, leukocyten en urinekweek voor de diagnose van urineweginfecties bij patiënten met een blaaskatheter?
○ Wat is de waarde van bloedtesten naar leukocyten en C-reactief proteïne (CRP) ter indicatie van weefselinvasie bij patiënten met een verblijfskatheter?
De klinische verschijnselen die, na uitsluiting van andere mogelijke infectieuze oorzaken, kunnen duiden op een urineweginfectie bij kwetsbare ouderen met een blaaskatheter zijn: koorts gedurende ≥24 uur, koude rillingen en/of een duidelijk delirium, dat niet veroorzaakt wordt door een urineretentie.
Neem altijd urine af voor het inzetten van een kweek bij verdenking van urineweginfectie bij kwetsbare ouderen met een katheter.
Plaats een nieuwe katheter indien de katheter niet definitief verwijderd kan worden en neem het urinemonster af uit de nieuwe katheter voor de start van de antibioticabehandeling.
Vang spontaan geloosde urine op of neem een midstream urinemonster af bij patiënten waarbij de katheter definitief verwijderd kan worden voor start antibiotische behandeling.