Overwegingen
Gezien het feit dat er geen studies zijn gevonden met betrekking tot diagnostiek van katheter-gerelateerde urineweginfecties bij kwetsbare ouderen met blaaskatheter wordt gebruik gemaakt van resultaten van de Delphi-studie, bestaande (inter)nationale richtlijnen en andere relevante documenten om tot een aanbeveling te komen.
Klinische verschijnselen
De Delphi-studie komt tot de conclusie, dat men de diagnose katheter-gerelateerde urineweginfectie bij een kwetsbare oudere met blaaskatheter, alleen dan mag overwegen, indien eerst andere (infectieuze) verklaringen voor het klinisch beeld zijn uitgesloten. Symptomen die dan mogelijk de diagnose kunnen ondersteunen zijn: koorts gedurende ten minste 24 uur, koude rillingen en/of een delier. Bij een delirante patiënt moet wel rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat het delier is geluxeerd door een urineretentie: dit zogenaamde ‘cystocerebrale syndroom’ dient dus eerst te worden uitgesloten (Blackburn, 1990). Dit kan bijvoorbeeld door middel van een bladderscan, een echoapparaat om blaasvolume te meten.
De bevindingen uit de Delphi-studie komen overeen met de internationale richtlijn “Diagnosis, Prevention, and Treatment of Catheter-Associated Urinary Tract Infection in Adults” van de Infectious Diseases Society of America uit 2009. Ook deze richtlijn benadrukt het belang van het uitsluiten van andere mogelijke infectiebronnen. Tevens stelt deze richtlijn dat de aanwezigheid van leucocyturie niet diagnostisch is voor katheter-gerelateerde urineweginfectie (Hooton, 2010). Het ontbreken van leucocyturie in een symptomatische patiënt pleit daarentegen voor een andere diagnose dan katheter-gerelateerde urineweginfectie (Hooton, 2010). Aan de aan- of afwezigheid van sterk ruikende of troebele urine tenslotte, kan geen betekenis worden gehecht (Hooton, 2010).
Bij langdurig gebruik van een urinekatheter kan het paarse-urinezaksyndroom' ('purple urine bag syndrome' PUBS) optreden, prevalentie ca. 12% (Llenas-Garcia, 2017). Hoewel patiënten en naasten vaak ongerust raken, zijn de meeste patiënten asymptomatisch en heeft het paars kleuren van de urine geen negatieve invloed op gezondheid. Deze kleuring is waarschijnlijk enkel een uiting van asymptomatische bacteriurie. Gebruik van antibiotica is niet nodig. Uit een review van Llenas-Garcia (2017) blijkt dat zowel het gebruik van antibiotica als het vervangen van de katheter geen verbetering geven.
Diagnostische waarde van aanvullend onderzoek
Gezien de zeer hoge prevalentie van bacteriurie en leucocyturie heeft urineonderzoek met een nitriettest en/of leukotest geen waarde voor de diagnose van katheter-gerelateerde urineweginfecties bij patiënten met een blaaskatheter.
In aanwezigheid van systemische ziekteverschijnselen is ook het bepalen van biomarkers zoals leukocyten en CRP niet bijdragend aan het diagnostische beleid bij een mogelijke katheter-gerelateerde urineweginfectie.
Urinekweek
Bij verdenking op een katheter-gerelateerde urineweginfectie dient voor start van antimicrobiële therapie urine worden afgenomen voor het inzetten van een kweek met resistentiebepaling vanwege het brede spectrum van potentiële veroorzakende micro-organismen met een verhoogde kans op antimicrobiële resistentie (Hooton, 2010; Van Buul, 2018).