Overwegingen
Er zijn geen studies gevonden voor de specifieke zoekvragen met betrekking tot behandeling van katheter-gerelateerde urineweginfecties bij kwetsbare ouderen. Om de uitgangsvragen te beantwoorden en tot aanbeveling te komen wordt gebruik gemaakt van de resultaten van de Delphi-studie, overwegingen die specifiek zijn voor katheter-gerelateerde urineweginfecties uit internationale richtlijnen en verwijzen we naar de behandeling van niet-katheter-gerelateerde urineweginfecties met weefselinvasie: zie module ‘Behandeling van urineweginfecties bij kwetsbare ouderen’.
De positie van antibiotica
In een Delphi-studie (Van Buul, 2018) concluderen (inter)nationale experts, dat antibiotische behandeling op basis van de werkdiagnose katheter-gerelateerde urineweginfectie alleen is aangewezen indien er sprake is van systemische ziekteverschijnselen. Minimale criteria voor het starten met antibiotica op verdenking van katheter-gerelateerde urineweginfectie bij een kwetsbare oudere met een blaaskatheter zijn volgens de Delphi-studie: koorts langer dan 24 uur bestaand, koude rillingen en/of een delier. Bij een delier dient wel eerst een urineretentie als mogelijke oorzaak te worden uitgesloten (zie module ‘Diagnostiek van urineweginfecties bij patiënten met een blaaskatheter’: cystocerebraal syndroom).
Verwijderen of vervangen van de blaaskatheter en inzetten van urinekweek voor aanvang van therapie
Voor de start van een antibiotische behandeling dient de blaaskatheter verwijderd of, indien de patiënt niet zonder blaaskatheter kan, vervangen te worden (van Buul, 2018; High, 2008).
Een blaasecho (bladderscan) voor het bepalen van retentie kan helpen bij het nagaan of de blaaskatheter kan worden verwijderd. Een urinemonster ten behoeve van een urinekweek wordt zonder of via de nieuwe blaaskatheter verzameld voordat therapie wordt gestart (Hooton, 2010; High, 2008; Van Buul, 2018). Wanneer een urinemonster wordt verkregen door een oude katheter (enkele dagen of langer) geven de kweekuitslagen de bacteriën van de biofilm weer. Door het vervangen of verwijderen van de katheter voor aanvang van de therapie is het mogelijk een urinemonster te nemen dat een betere weergave geeft van de verwekkers van de urineweginfectie, de uropathogenen (Raz, 2000). Bovendien leidt het verwijderen of vervangen van de blaaskatheter voor start van de antibiotische behandeling tot betere klinische uitkomsten, het versnelt de resolutie van symptomen zoals koorts en vermindert het risico op een latere katheter-gerelateerde urineweginfectie (Hooton, 2010; High, 2008; Raz, 2000).
Middelenkeuze en duur van antibioticabehandeling
Voor orale behandeling van katheter-gerelateerde urineweginfecties kan men, evenals bij niet-katheter-gerelateerde urineweginfecties (zie module ‘Behandeling van urineweginfecties bij kwetsbare ouderen’), op basis van lokale resistentiedata een keuze maken uit cotrimoxazol, ciprofloxacine en amoxicilline/clavulaanzuur. Wanneer lokale resistentiedata niet voorhanden zijn kan men gebruik maken van eerdere kweekgegevens van de patiënt.
Wat de behandelduur van een katheter-gerelateerde urineweginfectie betreft, adviseert de Infectious Diseases Society of America om patiënten met symptomen die snel verdwijnen zeven dagen te behandelen. Voor patiënten met een vertraagde respons adviseren zij een behandelduur van tien tot veertien dagen. Deze behandelduur is gelijk voor patiënten bij wie de blaaskatheter is verwijderd (Hooton, 2010).